Suze Frank

27 June 2019 - 13:33

Suze Frank wordt op 17 juni 1907 geboren als dochter van Samuel Frank en Sara Lopes Cardozo. Vader Samuel is briljantslijpersknecht en ook moeder Sara werkt tot haar huwelijk als diamantbewerkster.

Ruim drie jaar na Suze wordt haar zusje Marianne geboren. Beiden worden opgeleid tot briljantsnijdster en na hun opleiding worden ze lid van de ANDB. Tijdens de Duitse bezetting komen ze voor een Sperre in aanmerking en ze zullen zelfs tot de groep diamantbewerkers gaan behoren die tot mei 1944 beschermd worden tot ze alsnog gedeporteerd worden. Alleen Suze overleeft de kampen en schrijft daarover een openhartig relaas in het Weekblad van de ANDB.

Suze Frank, foto uit NIW 19-09-1980

Paplepel

Met twee ouders die in de diamantindustrie werk(t)en krijgen de dochters het vak met de paplepel ingegoten. ‘Als kind kregen mijn zusje en ik twee luciferhoutjes daar deed mijn moeder een beetje cement op, daarna kregen wij een korreltje suiker en maar wrijven. Zo deden wij het diamantslijpen na’.[1] Toch probeerde Suze het eerst op een naaiatelier en later als bediende in de papierbranche maar uiteindelijk kwam ze toch in de diamantindustrie terecht, mede op aanraden van haar vader. Ze vond het lingerie maken geen fijn werk en beide banen betaalden slecht vond ze. Suze start haar briljantsnijders opleiding in 1925, ze gaat in de leer bij W. Wertheim op de fabriek van Rooselaar en is ruim twee jaar later klaar. Ze wordt meteen lid van de ANDB. Marianne heeft zich een jaar eerder dan Suze opgegeven voor een opleiding tot briljantsnijdster maar zal daar pas in 1929 daadwerkelijk aan beginnen. Om gezondheidsredenen moet ze stoppen met de opleiding, pas in 1931 begint ze echt. In 1934 is ze volleerd en ook zij wordt direct lid van de ANDB.

 

[1]Annelies van Houten, ‘Suze Frank en de lol in haar werk. Diamantvak is hard en zwaar maar je blijft erover praten’, Nieuw Israëlitisch Weekblad 19 september 1980

foto slijperij Rooselaar in 1939, collectie Joods Historisch Museum

Thumbnail

Vaak aan het werk, soms werkloos

Begin jaren dertig is Suze regelmatig zonder werk. ‘Dan had je niets, wachten op een uitkering. Snel je lidmaatschapskaart brengen naar de diamantbewerkersbond, de ANDB aan de Henri Polaklaan. [toen nog Plantage Franschelaan] De hoge stoep op. “Daar zijn menigmaal traantjes geweest”. [1]Hoewel Suze begin jaren dertig regelmatig werkloos is, werkt ze vaker dan anderen. Ze heeft een grote reputatie omdat ze bij een goede leermeester haar opleiding heeft genoten en bovendien is ze snel en betrouwbaar. Als in 1935 hun vader sterft blijven beiden zussen bij hun moeder in de Tweede Boerhaavestraat 22 II wonen. Suze verdient 45 gulden per week, ook in de crisistijd. Ze geeft haar moeder 35 gulden voor het gezin. Vanaf 1936 zijn zowel Suze als Marianne volop aan het werk, samen op de fabriek van Rooselaar in de Oosterparkstraat. Ze zingen graag en worden aangeduid als het duo Ja, naar een Zweeds zusjes duo uit die tijd.

 

[1] Annelies van Houten, ‘Suze Frank en de lol in haar werk. Diamantvak is hard en zwaar maar je blijft erover praten’, Nieuw Israëlitisch Weekblad 19 september 198

De Burcht, hal met loket

Thumbnail

Aan dit loket konden werkloze diamantbewerkers een stempel halen waarmee ze elders in het gebouw hun werkloosheidsuitkering konden innen.

Oorlog

Als de Duitsers Nederland binnenvallen en de anti-joodse maateregelen elkaar in rap tempo opvolgen, blijft een deel van de joodse diamantbewerkers vooralsnog gespaard voor deportatie. Zo komen ook de beide zussen Frank voor een Sperre in aanmerking. Omdat ze briljantsnijdster zijn, een beroep dat veel minder vaak wordt uitgeoefend dan briljantslijpster, zijn ze extra nuttig voor de Duitse oorlogseconomie die buitenlandse deviezen nodig heeft en industriediamant gebruikt in de wapenproductie. Als in mei 1943 alle diamant Sperren komen te vervallen, komen ook Suze en Marianne in Westerbork terecht, maar in juli 1943 worden ze uit Westerbork ‘ontslagen’. Alleen de specialisten worden teruggehaald en hiertoe behoren ook de beide zussen die inmiddels als snijdsters op de diamantfabriek Asscher werken, een van de weinige fabrieken die nog functioneert. Ze krijgen onderdak in de Joodse Invalide aan het Weesperplein. Bij het leeghalen van dit gebouw, in maart 1944, worden zij samen met fabrikanten en handelaren overgebracht naar de diamantfabriek van Asscher, waar ze een tijd niet alleen werken maar ook wonen.

diamantslijperij van de Fa. I.J. Asscher in de Tolstraat

Thumbnail

Tocht door de hel

Op 19 mei 1944 worden beide zusters alsnog naar Westerbork getransporteerd en van daaruit naar Bergen-Belsen gedeporteerd. Over haar ervaringen in de kampen heeft Suze eind 1945, begin 1946  in het Weekblad van de ANDB twee zeer openhartige stukken geschreven. Het onderstaande citaat is aan deze stukken ontleend.

 

‘Met de werkgevers uit de industrie werden wij op transport gesteld naar Bergen-Belsen, waar wij ontvangen werden door de hoogste instanties en vele SS-mannen. Bij aankomst werden wij geregistreerd en in een bijzondere barak, nr. 17, ondergebracht. Aan de eene kant de mannen, ongeveer 140, en aan de andere zijde de vrouwen en kinderen. Iedere dag was er appel en moesten wij met vele honderden op een open vlakte urenlang stil staan; in de zomer stikte men van de hitte en in de winter lieten ze ons soms vier tot acht uren staan in rijen van vijf. Werken hoefden wij niet wat voor de andere bewoners van het kamp minder prettig was. […] Vrienden en kennissen, niet diamantbewerkers verscholen zich in onze barak; ter wille van onszelf moesten wij hen verwijderen en werden zij eveneens het slachtoffer voor het w erken. Dit moest wel gebeuren omdat bekend werd, dat er snijmachines en molens zouden komen en indien danzou blijken, dat zij geen diamantbewerkers zouden zijn, zou het er voor ons allen niet beter op worden. [...] Door een onzer diamantvrouwen, die secretaresse was bij een der instanties, werden wij van alles op de hoogte gehouden. Plotseling moesten de mannen wagons lossen met gereedschap, dat in een barak werd opgeslagen. Hiervoor moest gewaakt worden en regelmatig moesten wij de machines schoonhouden. [...] Natuurlijk waren er geruchten: er werd een fabriek gebouwd en niet allen kunnen geplaatst worden, wat natuurlijk weer aanleiding voor ruzies was en er gingen maanden voorbij en er gebeurde niets.’ [1]

 

[1] Suze Frank, Onze tocht door den hel, in: Mededelingenblad van den ANDB, 18 december 1945 en 1 januari 1946. 

 

 

 

 

Na een verblijf van een half jaar in Bergen-Belsen worden de zussen doorgezonden naar verschillende werkkampen, waaronder kamp Beendorf bij Neuengamme waar ze dwangarbeid verrichten in de mijnen. Begin april 1945 worden de vrouwen bevrijd en een ‘tocht door de hel’ begint. Dagenlang zitten ze letterlijk opeengestapeld in open goederenwagons. Met 200 andere gevangenen worden zij op 1 mei uit het kamp Eidelstadt bij Hamburg bevrijd.  Marianne Frank overlijdt enkele dagen later in een ziekenhuis in Hamburg aan de ziektes en de verwondingen die ze in de kampen en tijdens de reis heeft opgedaan. Suze reist via Denemarken naar Malmö in Zweden waar zij in een opvangskamp kan aansterken.

Suze Frank in Malmö

Thumbnail

Foto van Suze Frank genomen in het kamp in Malmö waar zij op krachten kon komen. Collectie Joods Historisch Museum.

Verklaring van overlijden van Marianne Frank

Thumbnail

Verklaring van het Allgemeines Krankenhaus Langenhorn (Hamburg) m.b.t. het overlijden van Marianne Frank op 10 mei 1945, Hamburg, december 1947. Collectie Joods Historisch Museum

Na de oorlog

Terug in Nederland gaat Suze in september 1945 weer aan het werk als briljantsnijdster. Tot 1956 blijft ze lid van de ANDB, die dan al behoorlijk zieltogend is. De industrie is veranderd door de bres die er geslagen is in de groep diamantbewerkers. ‘Sommige knechten werden bazen, de saamhorigheid verdween gelijk met een oud soort verantwoordelijkheidsgevoel. […] De gein was verdwenen om niet meer terug te komen.’ [1] Vlak voor haar zestigste wordt Suze afgekeurd. Ze is blij de industrie die zo veranderd is te kunnen verlaten. Ze gaat veel zingen, treedt vaak op in café’s, theaters en bejaardentehuizen. Aan het eind van haar leven vindt ze gezelligheid bij Beth Simcha, een sociëteit voor joodse ouderen in Amsterdam. Op 1 mei 1988 sterft ze.

 

[1]Annelies van Houten, ‘Suze Frank en de lol in haar werk. Diamantvak is hard en zwaar maar je blijft erover praten’, Nieuw Israëlitisch Weekblad 19 september 1980

Suze Frank zingt

Thumbnail

Suze Frank in 1985. Fotograaf: Jenny E. Wesly, Collectie Joods Historisch Museum

Bronnen:

  • IISG: ANDB archief: leerlingkaarten van Suze Frank en Marianne Frank: ARCH00210-9411; lidmaatschapskaart van Suze Frank ARCH00210- 9569.2; lidmaatschapskaart van Marianne Frank; ARCH00210- 9429; Aanvraagformulieren voor Sperre van Suze en Marianne Frank ARCH00210- 9205.3.
  • Stadsarchief Amsterdam, woningkaart Boerhaavestraat 22 II, 962_WKSAA00041000425; gezinskaart Samuel Frank 5422-0412-3780
  • Suze Frank, Onze tocht door den hel, in: Mededelingenblad van den ANDB, 18 december 1945 en 1 januari 1946
  • Esther Göbel en Daniël Metz, ‘Diamantjoden. Teloorgang van de industrie en de Bond’, in: Karin Hofmeester (red.) Een Schitterende Erfenis. 125 jaar nalatenschap van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (Zutphen, 2019).
  • Annelies van Houten, ‘Suze Frank en de lol in haar werk. Diamantvak is hard en zwaar maar je blijft erover praten’, Nieuw Israëlitisch Weekblad 19 september 1980